Het is een rijke geschiedenis, die we in oude boeken kunnen lezen. Want wie in de mening verkeert dat voordat de brandweer officieel bestond, elk huis, elke hooiberg of elk stuk bos en heide, die in brand waren geraakt tot de laatste resten opbranden, omdat er niemand was om de vuurzee te bestrijden, vergist zich. Er was echter nog geen georganiseerde, geen geschoolde brandweer. En ieder die verantwoordelijkheidsgevoel had en zich maar even kon vrijmaken, hielp bij het blussen van branden. Ook al was het midden in de nacht. Omdat er daardoor vaak te veel personen behulpzaam waren, men elkaar dus voor de voeten liep en tevens omdat er met zeer gebrekkig materiaal, een emmer, pan, of blikjes moest worden gewerkt, mocht de spontane hulp niet lang baten. Wel was er altijd een man die de supervisie over deze amateurblusserij had. Dat was de “brandmeester”, die ook de taak had de klok te luiden van de Nederlandse Hervormde kerk zodra er een brandmelding was binnengekomen. Maar ook deze man was niet geschoold in het bestrijden van branden. En ook hij bezat niet anders dan een paar emmers.
Eerst in het jaar 1818 werd door het gemeentebestuur van Apeldoorn bij Gedeputeerde Staten van Gelderland een verzoek ingediend om voor de dorpen Loenen en Beekbergen vijf handspuiten beschikbaar te stellen. De kosten hiervoor waren naar mening van het college echter te hoog. Men bleef “spuiten”met emmers. Pas in 1822 werd de burgerij van Beekbergen plotseling verrijkt met drie spuiten. Tien jaar later stelden de Statenleden nogmaals een spuit, zelfs een aanjager, ter beschikking. Vanaf dit moment konden de inwoners op betere wijze het vuur te lijf gaan. Uit de jaren die volgden herinneren wij nog aan de grote boerderijbrand in 1841 te Oosterhuizen. Ondanks de “moderne middelen” kwam al het vee in de vlammen om. En verder een van de grootste heidebranden die de Veluwebewoners hebben gekend. Ruim 2000ha bos en heide brandde af. Ook hier was de Beekbergense burgerij met haar materiaal present. Dit laatste was inmiddels aangevuld met hefpompen, die in die tijd zeer veel nut hebben gehad. Waarschijnlijk, de geschiedenis vermeldt het niet met zovel woorden, is het geringe succes dat men over het algemeen bij het blussen bereikte, oorzaak geweest van het feit dat de heer J. Grip aan enkele andere trouwe spuitgasten voorstelde een vaste brandweerploeg in het leven te roepen. Het zou een ploeg moeten zijn van vrijwilligers die door geregelde oefening een bepaalde graad van bekwaamheid in brandbestrijding zich eigen zou maken. Dit korps zou dan tevens de leiding moeten hebben over andere personen die zich geroepen voelden bij bluswerkzaamheden hulp te bieden.

Oprichting

Het was 8 september 1909, dat in café Schurink de heren J. de Grip, H.A. Geurts en G. van tongeren spijkers met koppen sloegen en zich de oprichters van de Beekbergense Vrijwillige Brandweer konden noemen. Behalve de drie oprichters, die de titel brandmeester kregen, kon de ledenlijst van het brandweerkorps binnen enkele dagen tijd worden aangevuld met de namen van burgers die het belang van de nieuwe vereniging inzagen en gaarne hun steun wilden verlenen in het verwezenlijken van de doelstelling. Met vereende krachten werd geoefend, gestudeerd en wanneer het nodig was werden branden bestreden. Het materiaal werd langzamerhand uitgebreid, gemoderniseerd of vernieuwd. In die jaren werden de branden bestreden met een spuit die getrokken werd door een paard. Deze spuit ging later naar het korps Uddel en daarna naar het korps Wormen. Het paard die de spuit moest trekken was eigendom van een der leden van het korps en deze brandweerman kwam met het paard aangehold zodra er brandalarm was. Dat er onderweg zo nu en dan hindernissen overwonnen dienden te worden blijkt uit een krantenknipsel van 26 april 1920. “De Beekbergense brandweer werd gealarmeerd om te assisteren bij en grote brand in de papierfabriek van Van Gelder op de Eendracht. Met paard en wagen bijna een half uur rijden. De manschappen waren spoedig aanwezig. Ook de spuit was snel opgeladen. Welk een schrik voor het korps dat, toen het in “het in ijltempo” naar Apeldoorn reed, zag hoe onderweg een van de wielen van de wagen afrolde. Het was nog donker ook, hetgeen zoeken naar het verdwenen wiel niet vergemakkelijkte. Met een grote spijker werd het wiel weer vastgemaakt. Hardrijden was er echter niet meer bij. Het gevolg: de brand was al lang geblust toen het korps arriveerde.”

Op 28 februari 1931 brak voor de vrijwilligers een nieuw tijdperk aan. Op die dag kreeg het korps Beekbergen een motorspuit. Voordat de mannen gelegenheid kregen om met het apparaat te oefenen moesten zij er al mee werken. In de nacht van 28 op 29 februari brak er namelijk brand uit bij de familie van Tongeren aan de Lange Amerikaweg. In korte tijd was de vlammenzee met de nieuwe spuit bedwongen.

Als je in het bezit bent van zo’n professionele brandspuit moetje daar ook naar handelen, vandaar dat ieder korpslid een vaste taak opgelegd kreeg. Zo kregen 3 personen de verantwoording over de motorspuit, 3 personen werden aangewezen als straalpijpvoerders, 2 personen moesten de zuigleiding in het water leggen en koppelen, de resterende korpsleden moesten slangen uitleggen van de pomp naar de brandhaard. Het motorspuitmodel “de kleine vuurvreter”van de fa. Van der Ploeg stond op een aanhanger en werd bij brandalarm achter een particuliere auto gekoppeld. Dit veranderde echter op 12 oktober 1946. Toen ging namelijk een lang gekoesterde wens in vervulling: van de dump kon voor een zacht prijsje een jeep worden overgenomen. Achter de jeep werd en aanhanger gekoppeld voor het vervoeren van de manschappen en daar weer achter de motorspuit.

In die tijd kon men het rijexamen met een eigen voertuig afleggen. Ons erelid J. Hogewey wist zich te herinneren dat enkele leden van het korps in 1949 rijexamen mochten afleggen met de jeep. Toen de dag dat dit moest gebeuren was gekomen, bleek diezelfde ochtend bij het proefrijden in het terrein dat de krukassen het hadden begeven. Dit had natuurlijk tot gevolg dat er geen examens konden worden afgenomen omdat de examinator niet op het herstellen hiervan kon wachten. Gelukkig voor de betrokken leden was deze na enige maanden dan toch bereid de reis naar Beekbergen te maken.
We schrijven het jaar 1950 als Brandweer Beekbergen wordt verrast met een auto met motorspuit erop gebouwd. Dit was een Dodge Beeb. Deze wagen, die de aanval in Normandie heelhuids doorstond, werd door de Canadezen meegenomen naar ons land. De bandweer van Beekbergen heeft dertien jaar lang plezier van deze wagen gehad. Nou plezier, op enkele uitzonderingen na, en nu citeren we letterlijk uit een brief aan bureau Brandweer Apeldoorn:
Op de gehouden jaarvergadering van ons korps werden de volgende punten naar voren gebracht. De linker as van de spuit is vermoedelijk wat uit balans. De ventilator riem dient te worden vervangen. De parkeerlichten weigeren wel eens en dienen met een harde klap op het spatbord tot ontbranding te worden gebracht.
Met deze Dodge Beeb heeft het hele korps een keer in de sloot gelegen. Teruggekomen van een brand was het namelijk de gewoonte de chauffeur flink te laten schrikken door de gashendel bij de pomp, die in verbinding staat met het gas van de motor, helemaal los te draaien met als gevolg dat, toen de man achter het stuur gas terug wilde nemen, hij en daarmee het voltallige korps uit de bocht vloog met alle gevolgen van dien. Achteraf gezien is het dan ook niet vreemd dat de knipperlichten het af en toe niet deden.
Gezien het feit dat Beekbergen centraal in een groot bosgebied ligt en daarom veelvuldig werd geconfronteerd met bosbranden was het in 1967 een ware uitkomst dat het korps een lagedruktankautospuit kreeg. Moesten we het voordien met schoppen doen, zodat er zand op het vuur gegooid kon worden, zo hadden we vanaf dat moment 3000 liter water bij ons om branden te bestrijden. Maar voor het zover was moest er natuurlijk een behuizing voor deze tankauto komen. Daarom werd er door de leden van het korps een tijdelijk onderkomen gebouwd. Wat toen als tijdelijk gezien werd was zeker geen 17 jaar, maar een ieder die een kijkje heeft genomen in de nieuwe kazerne aan de Van Schaffelaarsweg, zal het met ons eens zijn dat het de moeite van het wachten waard is geweest. De nieuwe kazerne is gebouwd met het oog op de toekomst, zo is hij b.v. gebouwd met een mogelijkheid voor een tweede uitrukvoertuig dat we in de nabije toekomst zullen krijgen. Verder is er een wasgelegenheid voor de manschappen die in het oude spuithuis ontbrak, d.w.z. op een koudwaterkraantje na, zodat er na een brand hooguit de handen konden worden gewassen, wat bepaald ongerieflijk genoemd kon worden als men bedenkt dat een ieder gewoon weer naar zijn werk moest na de brand. Zo ook hadden we in de oude kazerne geen toilet, zodat er na een brand of tijdens een oefenavond gebruik moest worden gemaakt van de zijmuur van het spuithuis. Het spreekt vanzelf dat dit aan de buitenzijde gebeurde. Deze nieuwbouw is een van de veranderingen die we in de jaren hebben ondergaan, want natuurlijk veranderde er veel meer. De belangrijkste verandering is misschien wel de aard van de branden en daardoor de bestrijding daarvan. Moest men het vroeger doen met emmer en handspuiten, zo kennen we nu de modernste brandbestrijdingsmiddelen en voertuigen. Wat betreft de branden blijkt b.v. uit de boeken van Beekbergen dat in vroeger jaren hoofdzakelijk uitgerukt werd voor schoorsteenbranden, hooibroei en bosbranden. Verder is het logisch dat er 95 jaar terug nooit werd uitgerukt voor een autobrand of auto-ongeval. Veranderingen vonden ook plaats op het gebied van opleidingen voor de vrijwillige-brandweer-mensen. Heden ten dage is een vrijwillig brandweerman qua opleiding de gelijke aan een beroepsbrandweerman en dit is nodig ook, gezien de aard van de hulpverlening. Maar er veranderde nog meer in de loop der jaren. Wat dacht u van de verbindingen? Tegenwoordig is het voor iedereen vanzelfsprekend dat als er een grote brand is na enkele minuten enkele tankauto’s voor de deur staan. Vroeger was het zo dat als er een korps bij de brand gearriveerd was en er assistentie nodig was door een van de leden naarstig naar een huis moest worden gezocht waar de mensen telefoon hadden, om zodoende assistentie te vragen.o was de wijze van alarmeren van de korpsen vroeger ook anders als tegenwoordig.
Vanaf de oprichting tot en met de tweede wereldoorlog werd gebruik gemaakt van de zogenaamde “brandhoorntjes”. Als er iemand ergens veel rook ontdekte, ging hij naar de brandmeester om dat te melden. Die keek dan ook eens in de richting van de rook en dan werd er in overleg besloten om op de hoorntjes te blazen. De hoornblazers werden gewaarschuwd en deze sprongen op de fiets en reden zo snel mogelijk al toeterende rond. Zodoende werd iedereen gewaarschuwd dat er ergens brand was. Vanaf 1945 werd het brandalarm gegeven door middel van de sirene op de openbare school aan de Dorpsstraat.
Zodra er ergens brand was, werd dit gemeld bij de persoon die de sirene moest bedienen. Deze repte zich ijlings naar de schakelknop en gaf dan brandalarm. Als het een woonhuis, schuur, of dergelijke gebouw betrof, liet hij de sirene een langgerekte huiltoon geven. Betrof het bos of heidebrand, dan ging het op de manier van, aan uit, aan uit. Aan de manier van het laten gaan van de sirene kon men dus horen of er een bosbrandwas of en huisbrand.
Daar hier ook wel eens wat mis ging, moge blijken uit de volgende historische gebeurtenis.
Een zekere Gerrit J. was aan het bouwen of verbouwen. Een toenmalige onderbrandmeester, Tinus S., had een timmerwerkplaats waar Gerrit J., veel, zoniet alle materialen van betrok. Als Gerrit iets nodig had, en dat gebeurde herhaaldelijk, belde hij Tinus. Als Tinus dan de telefoon opnam, zei Gerrit voor de gein: “Tinus, er is brand”. Maar Tinus trapte daar niet in.
Tot op een keer Gerrit weer belde. Toen ging het zo:
Gerrit belt Tinus en zegt: “Tinus, er is brand!” Tinus kennelijk met zijn gedachten er niet bij
“Waar?” Gerrit: “Bij de Woeste Hoeve.”Tinus: Dan gaan we er Heen.” De hoorn er op gelegd. Tinus zegt tegen z’n vrouw: “Bel Riek van Jaap er is Brand.”(Riek van Jaap is de vrouw van de toenmalige brandmeester). De vrouw van Tinus belt Riek van Jaap en zegt dat er brand is. Tinus is ondertussen al op weg naar het spuithuis.
Gerrit belt zo snel mogelijk terug naar de vrouw van Tinus, maar die is in gesprek. Dan Riek van Jaap opgebeld. Deze neemt de telefoon aan en zegt: “een ogenblik, ik moet eerst even de sirene laten gaan, er is brand bij de Woeste Hoeve,”en legt de hoorn neer, laat de sirene gaan en komt terug, neemt de telefoon weer op en zegt: “Daar ben ik weer “. Gerrit zegt: “Dat helpt niks meer, want er is helemaal geen brand.” Hij vertelt hoe de vork in de steel zit. Of er nog is uitgerukt is, is niet duidelijk geworden, maar dat de commandant dit niet leuk vond stond vast. De sirene is in gebruik geweest tot beginjaren 70.

Het Ontstaan
De bij het 50-jarig jubileum nog in leven zijnde oprichters, v.l.n.r.: W. Jonker, A.Stoer, E.Woudenberg, H.v.Tongeren, W.Schut en G. Schut