Oprichting
Het was 8 september 1909, dat in café Schurink de heren J. de Grip, H.A. Geurts en G. van tongeren spijkers met koppen sloegen en zich de oprichters van de Beekbergense Vrijwillige Brandweer konden noemen. Behalve de drie oprichters, die de titel brandmeester kregen, kon de ledenlijst van het brandweerkorps binnen enkele dagen tijd worden aangevuld met de namen van burgers die het belang van de nieuwe vereniging inzagen en gaarne hun steun wilden verlenen in het verwezenlijken van de doelstelling. Met vereende krachten werd geoefend, gestudeerd en wanneer het nodig was werden branden bestreden. Het materiaal werd langzamerhand uitgebreid, gemoderniseerd of vernieuwd. In die jaren werden de branden bestreden met een spuit die getrokken werd door een paard. Deze spuit ging later naar het korps Uddel en daarna naar het korps Wormen. Het paard die de spuit moest trekken was eigendom van een der leden van het korps en deze brandweerman kwam met het paard aangehold zodra er brandalarm was. Dat er onderweg zo nu en dan hindernissen overwonnen dienden te worden blijkt uit een krantenknipsel van 26 april 1920. “De Beekbergense brandweer werd gealarmeerd om te assisteren bij en grote brand in de papierfabriek van Van Gelder op de Eendracht. Met paard en wagen bijna een half uur rijden. De manschappen waren spoedig aanwezig. Ook de spuit was snel opgeladen. Welk een schrik voor het korps dat, toen het in “het in ijltempo” naar Apeldoorn reed, zag hoe onderweg een van de wielen van de wagen afrolde. Het was nog donker ook, hetgeen zoeken naar het verdwenen wiel niet vergemakkelijkte. Met een grote spijker werd het wiel weer vastgemaakt. Hardrijden was er echter niet meer bij. Het gevolg: de brand was al lang geblust toen het korps arriveerde.”
Op 28 februari 1931 brak voor de vrijwilligers een nieuw tijdperk aan. Op
die dag kreeg het korps Beekbergen een motorspuit. Voordat de mannen gelegenheid
kregen om met het apparaat te oefenen moesten zij er al mee werken. In de
nacht van 28 op 29 februari brak er namelijk brand uit bij de familie van
Tongeren aan de Lange Amerikaweg. In korte tijd was de vlammenzee met de nieuwe
spuit bedwongen.
Als je in het bezit bent van zo’n professionele brandspuit moetje daar
ook naar handelen, vandaar dat ieder korpslid een vaste taak opgelegd kreeg.
Zo kregen 3 personen de verantwoording over de motorspuit, 3 personen werden
aangewezen als straalpijpvoerders, 2 personen moesten de zuigleiding in het
water leggen en koppelen, de resterende korpsleden moesten slangen uitleggen
van de pomp naar de brandhaard. Het motorspuitmodel “de kleine vuurvreter”van
de fa. Van der Ploeg stond op een aanhanger en werd bij brandalarm achter
een particuliere auto gekoppeld. Dit veranderde echter op 12 oktober 1946.
Toen ging namelijk een lang gekoesterde wens in vervulling: van de dump kon
voor een zacht prijsje een jeep worden overgenomen. Achter de jeep werd en
aanhanger gekoppeld voor het vervoeren van de manschappen en daar weer achter
de motorspuit.
In die tijd kon men het rijexamen met een eigen voertuig afleggen. Ons erelid
J. Hogewey wist zich te herinneren dat enkele leden van het korps in 1949
rijexamen mochten afleggen met de jeep. Toen de dag dat dit moest gebeuren
was gekomen, bleek diezelfde ochtend bij het proefrijden in het terrein dat
de krukassen het hadden begeven. Dit had natuurlijk tot gevolg dat er geen
examens konden worden afgenomen omdat de examinator niet op het herstellen
hiervan kon wachten. Gelukkig voor de betrokken leden was deze na enige maanden
dan toch bereid de reis naar Beekbergen te maken.
We schrijven het jaar 1950 als Brandweer Beekbergen wordt verrast met een
auto met motorspuit erop gebouwd. Dit was een Dodge Beeb. Deze wagen, die
de aanval in Normandie heelhuids doorstond, werd door de Canadezen meegenomen
naar ons land. De bandweer van Beekbergen heeft dertien jaar lang plezier
van deze wagen gehad. Nou plezier, op enkele uitzonderingen na, en nu citeren
we letterlijk uit een brief aan bureau Brandweer Apeldoorn:
Op de gehouden jaarvergadering van ons korps werden de volgende punten naar
voren gebracht. De linker as van de spuit is vermoedelijk wat uit balans.
De ventilator riem dient te worden vervangen. De parkeerlichten weigeren wel
eens en dienen met een harde klap op het spatbord tot ontbranding te worden
gebracht.
Met deze Dodge Beeb heeft het hele korps een keer in de sloot gelegen. Teruggekomen
van een brand was het namelijk de gewoonte de chauffeur flink te laten schrikken
door de gashendel bij de pomp, die in verbinding staat met het gas van de
motor, helemaal los te draaien met als gevolg dat, toen de man achter het
stuur gas terug wilde nemen, hij en daarmee het voltallige korps uit de bocht
vloog met alle gevolgen van dien. Achteraf gezien is het dan ook niet vreemd
dat de knipperlichten het af en toe niet deden.
Gezien het feit dat Beekbergen centraal in een groot bosgebied ligt en daarom
veelvuldig werd geconfronteerd met bosbranden was het in 1967 een ware uitkomst
dat het korps een lagedruktankautospuit kreeg. Moesten we het voordien met
schoppen doen, zodat er zand op het vuur gegooid kon worden, zo hadden we
vanaf dat moment 3000 liter water bij ons om branden te bestrijden. Maar voor
het zover was moest er natuurlijk een behuizing voor deze tankauto komen.
Daarom werd er door de leden van het korps een tijdelijk onderkomen gebouwd.
Wat toen als tijdelijk gezien werd was zeker geen 17 jaar, maar een ieder
die een kijkje heeft genomen in de nieuwe kazerne aan de Van Schaffelaarsweg,
zal het met ons eens zijn dat het de moeite van het wachten waard is geweest.
De nieuwe kazerne is gebouwd met het oog op de toekomst, zo is hij b.v. gebouwd
met een mogelijkheid voor een tweede uitrukvoertuig dat we in de nabije toekomst
zullen krijgen. Verder is er een wasgelegenheid voor de manschappen die in
het oude spuithuis ontbrak, d.w.z. op een koudwaterkraantje na, zodat er na
een brand hooguit de handen konden worden gewassen, wat bepaald ongerieflijk
genoemd kon worden als men bedenkt dat een ieder gewoon weer naar zijn werk
moest na de brand. Zo ook hadden we in de oude kazerne geen toilet, zodat
er na een brand of tijdens een oefenavond gebruik moest worden gemaakt van
de zijmuur van het spuithuis. Het spreekt vanzelf dat dit aan de buitenzijde
gebeurde. Deze nieuwbouw is een van de veranderingen die we in de jaren hebben
ondergaan, want natuurlijk veranderde er veel meer. De belangrijkste verandering
is misschien wel de aard van de branden en daardoor de bestrijding daarvan.
Moest men het vroeger doen met emmer en handspuiten, zo kennen we nu de modernste
brandbestrijdingsmiddelen en voertuigen. Wat betreft de branden blijkt b.v.
uit de boeken van Beekbergen dat in vroeger jaren hoofdzakelijk uitgerukt
werd voor schoorsteenbranden, hooibroei en bosbranden. Verder is het logisch
dat er 95 jaar terug nooit werd uitgerukt voor een autobrand of auto-ongeval.
Veranderingen vonden ook plaats op het gebied van opleidingen voor de vrijwillige-brandweer-mensen.
Heden ten dage is een vrijwillig brandweerman qua opleiding de gelijke aan
een beroepsbrandweerman en dit is nodig ook, gezien de aard van de hulpverlening.
Maar er veranderde nog meer in de loop der jaren. Wat dacht u van de verbindingen?
Tegenwoordig is het voor iedereen vanzelfsprekend dat als er een grote brand
is na enkele minuten enkele tankauto’s voor de deur staan. Vroeger was
het zo dat als er een korps bij de brand gearriveerd was en er assistentie
nodig was door een van de leden naarstig naar een huis moest worden gezocht
waar de mensen telefoon hadden, om zodoende assistentie te vragen.o was de
wijze van alarmeren van de korpsen vroeger ook anders als tegenwoordig.
Vanaf de oprichting tot en met de tweede wereldoorlog werd gebruik gemaakt
van de zogenaamde “brandhoorntjes”. Als er iemand ergens veel
rook ontdekte, ging hij naar de brandmeester om dat te melden. Die keek dan
ook eens in de richting van de rook en dan werd er in overleg besloten om
op de hoorntjes te blazen. De hoornblazers werden gewaarschuwd en deze sprongen
op de fiets en reden zo snel mogelijk al toeterende rond. Zodoende werd iedereen
gewaarschuwd dat er ergens brand was. Vanaf 1945 werd het brandalarm gegeven
door middel van de sirene op de openbare school aan de Dorpsstraat.
Zodra er ergens brand was, werd dit gemeld bij de persoon die de sirene moest
bedienen. Deze repte zich ijlings naar de schakelknop en gaf dan brandalarm.
Als het een woonhuis, schuur, of dergelijke gebouw betrof, liet hij de sirene
een langgerekte huiltoon geven. Betrof het bos of heidebrand, dan ging het
op de manier van, aan uit, aan uit. Aan de manier van het laten gaan van de
sirene kon men dus horen of er een bosbrandwas of en huisbrand.
Daar hier ook wel eens wat mis ging, moge blijken uit de volgende historische
gebeurtenis.
Een zekere Gerrit J. was aan het bouwen of verbouwen. Een toenmalige onderbrandmeester,
Tinus S., had een timmerwerkplaats waar Gerrit J., veel, zoniet alle materialen
van betrok. Als Gerrit iets nodig had, en dat gebeurde herhaaldelijk, belde
hij Tinus. Als Tinus dan de telefoon opnam, zei Gerrit voor de gein: “Tinus,
er is brand”. Maar Tinus trapte daar niet in.
Tot op een keer Gerrit weer belde. Toen ging het zo:
Gerrit belt Tinus en zegt: “Tinus, er is brand!” Tinus kennelijk
met zijn gedachten er niet bij
“Waar?” Gerrit: “Bij de Woeste Hoeve.”Tinus: Dan gaan
we er Heen.” De hoorn er op gelegd. Tinus zegt tegen z’n vrouw:
“Bel Riek van Jaap er is Brand.”(Riek van Jaap is de vrouw van
de toenmalige brandmeester). De vrouw van Tinus belt Riek van Jaap en zegt
dat er brand is. Tinus is ondertussen al op weg naar het spuithuis.
Gerrit belt zo snel mogelijk terug naar de vrouw van Tinus, maar die is in
gesprek. Dan Riek van Jaap opgebeld. Deze neemt de telefoon aan en zegt: “een
ogenblik, ik moet eerst even de sirene laten gaan, er is brand bij de Woeste
Hoeve,”en legt de hoorn neer, laat de sirene gaan en komt terug, neemt
de telefoon weer op en zegt: “Daar ben ik weer “. Gerrit zegt:
“Dat helpt niks meer, want er is helemaal geen brand.” Hij vertelt
hoe de vork in de steel zit. Of er nog is uitgerukt is, is niet duidelijk
geworden, maar dat de commandant dit niet leuk vond stond vast. De sirene
is in gebruik geweest tot beginjaren 70.